Méér dan superslim, deel 1

//Méér dan superslim, deel 1

Méér dan superslim, deel 1

Méér dan superslim! (Deel 1 van 3: De Binnenwereld)

Heel vaak krijg ik de vraag: wat is hoogbegaafdheid nou precies? Veel leerkrachten vinden het lastig om te doorgronden wat een hoogbegaafd kind zo anders maakt dan gemiddeld. Ja, het is heel slim. Dat klopt. Maar verder?
Al eens eerder schreef ik een blog met de vergelijking met een glas water. Kortweg komt dat verhaal er op neer dat wanneer een kind heel veel slimmer is dan de rest, deze niet alleen op het intellectuele vlak anders is, maar ook op andere vlakken anders in elkaar steekt. Wanneer je deze aspecten in kinderen kunt zien, kun je ook beter tegemoet komen aan de leerbehoeften van deze leerlingen.

Meer dan superslim

Een mooie weergave van die anders-zijn- aspecten vind je in het Delphimodel Hoogbegaafdheid. In dit model zie je 3 onderdelen:

  1. de binnenwereld van de hoogbegaafde (hoogbegaafde)
  2. de interactie met zijn omgeving (maatschappij)
  3. het samenspel van karaktereigenschappen die veel invloed hebben op die interactie en het binnenleven (samenspel)

In deze blog zal ik het eerste onderdeel verder uitdiepen. In volgende blogs komen de andere onderdelen aan bod.

De binnenwereld

Het Denken:

Vrijwel iedereen weet dat een hoogbegaafd kind grote intellectuele vermogens heeft. Het ene hoogbegaafde kind kan al heel vroeg lezen, een ander kan al vroeg met constructiemateriaal complexe bouwwerken maken. Veel hoogbegaafde kinderen hebben een heel grote woordenschat.
Toch zijn er ook hoogbegaafde kinderen die dit niet zo laten zien aan de buitenwereld. Ze denken/dromen veel en lijken soms wat teruggetrokken. En soms komt er dan ineens een heel doordachte vraag of een mooie gedachtesprong. Veel hoogbegaafden zijn kritische denkers, die er plezier in hebben om over complexe vraagstukken na te denken. Kinderen doen dit vaak onbewust.

J. (4,5) heeft het totaal niet naar haar zin op school: “Mama, als alles niet meer zou bestaan, de weg niet, de vogels niet, de straat niet…zou school dan ook niet meer bestaan? Want dan mag het wel afgelopen zijn van mij.”

R. (5) kan niet slapen: “Ik denk aan zoveel leuke dingen in mijn hoofd dat mijn lijf aan het feestvieren is.”

Het Zijn:

Een ander kenmerkend aspect van een hoogbegaafde is de grote behoefte aan autonomie. Dit is de drang om zelf te kunnen bepalen en de noodzaak tot zelfbeschikking. Een peuter heeft bijvoorbeeld grote drang om zelf te bepalen wat ze aan wil trekken. Of om zelf te bepalen waarmee hij zich wil vermaken. Een groter kind kan de sterke behoefte hebben om zijn eigen leerstof te kiezen. Of kan erg slecht tegen autoriteit. Dit kan dan nogal brutaal overkomen. Maar wanneer je dit kind wat ruimte geeft voor deze autonomie, zal het al snel veel prettiger in de omgang worden.

De leerkracht zegt tegen kleuter K. dat ze even haar winterjas aan moet doen. Zegt K. met haar handen strijdlustig in haar zij: “Nee juf!  Ik bepaal zelf wel wat ik wil!”

Ik had eens een gesprek met een hoogbegaafd jongetje dat verzuchtte: “Ik moet de hele tijd van alles. Ik moet rekenen. En dat is saai. Ik moet taal doen. Dat is nóg saaier. De juf vraagt nóóit wat IK wil. Ik wil namelijk alles leren over de zee. Echt alles. Over de dieren en de planten. En hoe de zeeën heten en …” het werd steeds uitvoeriger en enthousiaster, totdat hij verzucht: “Maar ja. Dat mág dus niet hè? Terwijl ik het zo graag wil leren!”

Het Voelen:

Veel hoogbegaafde kinderen hebben van binnen een heel rijk en breed gevoelsleven. Het lijkt alsof alles bij dit kind op een intenser niveau aanwezig is. Je zou bijna kunnen zeggen dat het bewustzijnsniveau van deze kinderen sterker is dan normaal. Waardoor ze een dieper en rijker gevoelsleven krijgen. Om je dit voor te stellen, helpt het soms om de andere kant op te denken. Je kunt je waarschijnlijk best voorstellen dat een kind dat zwakbegaafd is, een lager bewustzijnsniveau heeft over zijn gevoelens. Het heeft minder goed door wat er in hem omgaat. Zo kun je je misschien ook voorstellen dat het bij een hoogbegaafd kind de andere kant op werkt.

D. (9) ziet een reportage op tv over kinderen in hongersnood. Ze werd er intens verdrietig van en zapte verder. Haar moeder wijst haar erop dat ze dit doet. Zegt D: “Zeg, ik ben nog maar een kind. Hier hoef  ik nog niet mee geconfronteerd te worden.” F (6) wordt belaagd door een jongen uit zijn groepje. Hij deed helemaal niks, maar de leerkracht heeft dat niet gezien. Ze krijgen allebei straf. F. vindt dit zo onrechtvaardig en gemeen, dat hij besluit de leerkracht helemaal te negeren. Pas dagen later, wanneer de leerkracht zijn excuses heeft aangeboden, gaat F. langzaamaan weer normaal tegen hem doen.

Samenwerking
De pijlen tussen het denken, het voelen en het zijn, maken dat deze onderdelen elkaar kunnen versterken. De behoefte autonomie kan bijvoorbeeld erg worden versterkt, wanneer een kind zich onrechtvaardig behandeld voelt. Ook kunnen de aspecten elkaar naar beneden halen. Wanneer een kind zich niet goed voelt (bijv. door pesten), zullen de andere aspecten ook minder duidelijk naar voren kunnen komen.

Lees ook deel 2 van dit drieluik: de interactie met de omgeving.

By | 2017-03-31T21:05:45+00:00 maart 31st, 2017|Blogs|0 Comments

About the Author: